Onethisch beroep (geschreven: 20 / 03)
Ik ren door Zandspruit, een sloppenwijk in het westen van Johannesburg. Het is dinsdagavond laat. Ik sla rechtsaf, glip een pad links in. Ik voel me opeens echt journalist. Ik spring over een berg afval, glij bijna uit in de blubber. De romantische versie van een journalist, dat ben ik nu. Het is donker, overal is lawaai. Ik wring me tussen golfplaten huisjes door en kom terecht in iemands achtertuin, of iets wat daarvoor doorgaat. Een journalist uit een Hollywoodfilm, middenin een spannende achtervolgingsscène. Ik verontschuldig me in het voorbijgaan bij de bewoners en sla de volgende doorgang in, fotograaf Siswe voor me, collega Poloko hijgend in mijn rug. We schieten achter een politieofficier langs, springen over een plas. De oproeragent draagt een AK-47. Een paar meter terug steken bewoners van Zandspruit autobanden in brand. De massa wilde ons te lijf gaan, Siswe met zijn camera in het bijzonder. Hebben we ze al afgeschud? Ik heb geen tijd om achterom te kijken. Ik zie een vrouw met een jerrycan benzine in tegengestelde richting lopen. Zouden ze dan echt zijn huis in brand gaan steken? En dat van zijn familie?
Ik denk aan de dag ervoor.
Er staat een klein donker meisje langs de kant van de onverharde weg. Hoe oud zal ze zijn? Vier, vijf jaar? Haar zwarte kroeshaar staat in tientallen dunne vlechtjes rechtop op haar hoofd. Ze speelt in de hitte. Als de 4×4 waarin ik zit optrekt, slippen de banden op de natte ondergrond. Het heeft geregend vannacht. De banden grommen, terwijl ze zoeken naar vastigheid. Het meisje schrikt van het geluid, valt zachtjes achterover, zoals alleen kinderen zonder harde klap achterover kunnen kantelen. Met een plof komt ze neer. Heel even lijkt ze te gaan huilen, maar dan bedenkt ze zich en krabbelt overeind. Ze zwaait naar me, lacht ontwapenend, terwijl ik langzaam voorbij rij, in slow motion. Ik zwaai terug.
Eigenlijk zou ik een foto van haar moeten nemen, bedenk ik me. Dat zou zo´n foto worden die je bij veel mensen die in Afrika zijn geweest thuis aan de muur aantreft. Zo’n prachtig donker gezichtje, lachend in de lens van de camera, scherp contrasterend met de helverlichte achtergrond in de brandende zon. Het liefst voor een golfplaten huisje. Pure onschuld in de verdervelijke omgeving van een sloppenwijk. De geur van rozemarijn op een stinkende afvalbelt.
Want stinken doet het in Zandspruit. De geur is bijna ondraaglijk. Op open plekken langs de onverharde weg liggen bergen afval te rotten in de zon. In kuilen in de berm staan plassen wit uitgeslagen, stilstaand water. Honderden vliegen zwermen er omheen.
Kon ik Evelyn hier vandaag wel lastigvallen? Ik ben er niet zeker van. Toch doe ik het. Tussen al deze krotten hebben collega Thandi en ik die van haar gevonden. Evelyn is de moeder van Gofaone. Het meisje waar het allemaal om gaat.
De 7-jarige Gofaone is zondagmiddag vijf uur, zo’n zeventien uur voordat ik in Zandspruit arriveer, voor huis aan het spelen met een vriendinnetje. Een tante past op haar. Gofaone´s moeder woont tijdelijk bij een andere zus, iets verderop in Krugersdorp. Daar probeert Evelyn bij te komen van de begrafenis van haar zoontje, twee weken geleden. Het enige broertje van Gofaone was elf maanden oud toen hij overleed na een kort ziektebed. De twee spelende meisjes maken zo veel herrie dat tante binnen niet goed kan slapen. Ze verplaatsen hun spel op verzoek naar het even verderop gelegen open veld.
Gofaone wordt de volgende ochtend om acht uur gevonden door een beveiligheidsman die op weg is naar zijn werk. Daar ligt ze, in de struiken, haar broekje tot op de enkels naar beneden getrokken. Ze heeft overal blauwe plekken. Op haar armen: doordat ze is meegesleurd. In haar nek: vanwege het dichtknijpen van haar keel om een schreeuw om hulp onmogelijk te maken. Haar hoofd zit onder het bloed: ze is geslagen met een steen. Dood. Eerst is ze verkracht.
Waarom doet iemand zoiets? Nou ja, niet iemand, maar vele honderden mannen hier. Dat vraag ik mij af. Want Gofaone is geen uitzondering. Ze is niet bijzonder. Duizenden kleine meisjes gingen haar voor. Zuid-Afrika is momenteel geen prettige plaats om kind te zijn. Zondag, rond de tijd dat Gofaone verdween, werd verkracht en vermoord, pende ik op de redactie van The Star nog de schrikbarende statistieken over kindermisbruik in dit land neer: meer dan duizend vermoorde kinderen in de jaren 2005 en 2006 en het afgelopen jaar alleen al 23.000 kinderverkrachtingen. En dat zijn slechts de gevallen die worden gerapporteerd aan de politie. In werkelijkheid zijn het er vele malen meer. Met een beetje rekenwerk kom je al snel op een paar honderd verkrachte kinderen per dag!
Bijna alle kinderverkrachtingen zijn drugsgerelateerd, betoogde politica Helen Zille vorige week vrijdag tijdens een demonstratie tegen Drug and Child Abuse. Het aanpakken van de drugshandel, dat was volgens haar de oplossing. Maar dat kan toch niet het enige zijn? Ik verkracht toch ook geen kinderen als ik drugs heb gebruikt. Ik heb er op die momenten nooit zelfs ook maar een seconde aan gedacht. Is het de armoede dan, de uitzichtloosheid? Misschien, ik ben nog nooit in een situatie geweest waarin ik op een afvalberg moest wonen, in een golfplatenhuisje zonder enig uitzicht op een betere toekomst. Desalniettemin kan ik mij niet voorstellen dat ik mij dan opeens wel zou vergrijpen aan een kind. Gebeurt het wellicht slechts omdat het kan? Zou kunnen. De politie was niet bijster geïnteresseerd toen Gofaone´s tante zondag iets na vijven opbelde om de vermissing van haar nichtje te melden. Het duurde maar liefst 15 uur voordat de politie de moeite nam eens een kijkje te nemen. Dat wil zeggen: nadat ze was getipt over het kinderlijkje in de struiken. Informele nederzettingen – een Zuid-Afrikaans eufemisme voor sloppenwijken – kunnen de overheidsinstanties niet schelen. De speurtocht naar een blank jongentje uit een rijke wijk een dag eerder ging al een uur na zijn vermissing van start. Hij werd wel levend terug gevonden.
Misschien was het meisje met de vlechtjes wel een vriendinnetje van Gofaone.
Bij het afscheid van moeder Evelyn, die net uitgebreid van alle kanten is gefotografeerd door vier persfotografen van verschillende kranten, knielt een collega journalist voor haar stoel. Ze slaat een arm om de huilende vrouw. Onopvallend steekt ze tegelijkertijd een paar briefjes van twintig rand in Evelyn’s broekzak. Die glimlacht tussen haar tranen door, heel even. Ik schaam mij diezelfde miniseconde diep voor mijn beroepsgroep.
Samen met de andere verslaggevers en fotografen stop ik bij het eerste de beste terras dat we tegenkomen als we terugrijden naar het centrum van Johannesburg. Een ober komt aangesneld. Heel even twijfelt iedereen. Drinken onder werktijd mag uiteraard niet. Maar voor deze ene keer maken we een uitzondering. De smaak van ellende moet met alcohol worden weggespoeld. De wond van het collectieve geweten ontsmet.
De volgende dag ben ik opnieuw in Zandspruit, ditmaal om een foto op te halen bij Evelyn en om te informeren hoe het met haar gaat na de media-invasie. Precies op dat moment arresteert de politie toevallig een man voor de moord op Gofaone. Hij blijkt familie en woont om de hoek. De verdachte loopt langs me, geboeid, handdoek over zijn hoofd. Jammer. Ik had hem graag in de ogen willen kijken. Ik had hem zo veel vragen willen stellen. Vragen die allemaal zouden beginnen met ‘waarom’. Maar ook al was ik de beste journalist ter wereld, en stelde ik de scherpzinnigste vragen, dan nog zou ik er waarschijnlijk niet achter komen waarom hij deed wat hij deed, dan nog zou ik hem nooit het antwoord weten te ontlokken dat de bewoners van Zandspruit tot rust zou kunnen manen, dat hen ervan zou kunnen weerhouden zijn huis en dat van zijn familie in brand te steken.
Maar ik probeer het ook niet eens. Dat stelt me terleur. In plaats daarvan ren ik weg als de eerste autobanden in brand worden gestoken. Ik ren zo hard ik kan. Net als mijn collega’s. Weg van de ellende. Weg van de agressie. Weg van het gevaar. Dat is de echte journalist, de verslaggever in de dagelijkse realiteit, niet de romantische uit de film. De journalist die vooral zichzelf in veiligheid probeert te brengen. Met lege handen, op zijn kleine notitieboekje na. Opnieuw een voorpagina-artikel in The Star van morgen. Tevreden? Trots? Toch stiekem wel een beetje.
Journalist, het blijft bij vlagen een zeer onethisch beroep.


Merel Meessen, SAPA, Johannesburg Zuid-Afrika
Imke van Hoorn, Mail & Guardian online, Johannesburg Zuid-Afrika
Bram Lammers, The Times, Johannesburg, Zuid-Afrika
Marianne Lamers, Freelance, Johannesburg, Zuid-Afrika
