Spinoza in Afrika
‘Hoe ga jij eigenlijk naar je werk?’ De Zuid-Afrikaanse Kirsten kijkt me vragend aan. Ze neemt een slok van haar Wodka Lime. We zitten in een overwegend blanke kroeg in de wijk Melville. Onze auto’s staan geparkeerd voor de deur.
‘Met de taxibus,’ antwoord ik.
‘Je bedoelt een Afrikaanse taxi?’ Haar grijsblauwe pupillen groeien. Ongeloof lees ik er in.
‘Ja, gewoon, met z’n vijftienen in zo’n Toyota minibusje,’ grap ik nonchalant.
Even lijkt ze niet te weten hoe ze moet reageren. Dan verschijnt er rond haar mond een vrolijke glimlach. ‘You’re brave,’ zegt ze plechtig. ‘You are a really brave man.’ Kirsten heeft nog nooit in een taxibusje gezeten.
En zij is niet de enige. Blanke Zuid-Afrikaners rijden in auto’s, niet in taxibusjes. Deze vaak half uit elkaar vallende, overal gedeukte voertuigen, betrokken bij bijna elk ongeluk in de stad en de schrik van al het overige verkeer, zijn bestemd voor de zwarte medemens. En voor mij dus. Negen van de tien keer dat ik er wekelijks in zit, ben ik de enige blanke passagier.
Mensen kunnen wel zeggen dat apartheid veertien jaar geleden is afgeschaft, maar dat is een leugen. Zuid-Afrika staat pas aan het begin van het uitbannen van rassenseggregatie. Politieke gelijkheid was de eerste stap. Die is inderdaad met succes genomen. Maar de volgende is de overgang naar economische gelijkheid en sociale gelijkwaardigheid. Dat zal nog wel even duren, als het ooit al wordt bereikt. En dan is er natuurlijk nog de hindernis van psychische egalisatie die moet worden doorgevoerd. Pas als iedereen elkaar ook werkelijk voor vol aanziet en er geen groepen meer zijn die lijden aan een hardnekkig minderwaardigheidscomplex, dan is het probleem van seggregatie werkelijk opgelost. Dan zal alles iedereen als vanzelf door elkaar heen gaan leven.
Een mens kan zich slechts gelukkig voelen als hij zich gedragen weet door een groter geheel, tekende de Nederlandse filosoof Benedictus Spinoza al in het zeventiende eeuwse Amsterdam op. Hij stelde dat elk mens, net als al het andere in de wereld, slechts een klein onderdeeltje is van een groter, allesomvattend geheel. Zoals een bloedcel deel uitmaakt van ons lichaam, zo maakt ook ons lichaam weer deel uit van een overkoepelende natuur. De denkfout die veel mensen maken, is, volgens Spinoza, dat zij zich zien als een onafhankelijk individu, als een geheel op zichzelf, en dus niet als een schakel in een groter systeem.
De Afrikaanse versie van deze gedachte is ubuntu. Nobelprijswinnar Desmond Tutu verwoordt het als volgt. ‘Ubuntu draait om het wezen van mens zijn. Het is het besef deel uit te maken van een grotere groep. Iemand met ubuntu is vriendelijk, genereus, zorgzaam en meelevend. Hij weet dat een mens een mens is door andere mensen. Het is niet: ik denk, dus ik besta. Maar: ik doe mee, ik deel. Ik ben mens omdat ik erbij hoor. Iemand met ubuntu voelt zich niet bedreigt doordat anderen kundig of goed zijn, want hij is zeker van zichzelf omdat hij beseft tot een groter geheel te behoren, en hij wordt pas gekrenkt als anderen worden behandeld als minder dan zij zijn.’ Ubuntu staat dus voor een diepgeworteld saamhorigheidsgevoel, voor solidariteit voortvloeiend uit de wetenschap dat je een bent met je medemens, dat iedereen afhankelijk is van elkaar. Het is volgens veel Zuid-Afrikanen aan ubuntu te danken dat hun land begin jaren negentig een relatief vreemdzame overgang kende van Apartheid naar democratie.
Dit klinkt mooi natuurlijk, maar het lijkt mij dat in een werkelijk ubuntu samenleving blanke studenten niet pissen in de soep die zij hun zwarte schoonmakers laten drinken, dat daar geen ‘whites only’ campings bestaan, dat vrouwen niet open en bloot bij daglicht worden aangerand op taxistandplaatsen en dat het verschil in woonomgeving niet zo groot en zo raciaal is bepaald als hier. Het verschil tussen de ommuurde kastelen van Houghton en de golfplaten huisjes van Diepsloot doet je maag haast omkeren van verontwaardiging. Daar hoef je niet eens links voor te zijn. Mede door deze enorme economische verschillen zijn criminaliteitcijfers in dit land hoger dan waar ook ter wereld, worden er in Johannesburg meer mensen per jaar vermoord dan in een gemiddelde stad onder beleg en bestaat hier tussen allerlei bevolkingsgroepen een schier onuitroeibaar en verlammend wantrouwen. Niks geen ubuntu in een land waar zelfs ziekenhuizen niet veilig zijn voor gewapende roofovervallers en dus sinds kort zijn beveiligd a la Fort Knox.
In de woorden van Spinoza: ‘al het voortreffelijke is even moeilijk als zeldzaam.’
Ubuntu, of solidariteit in het algemeen, kan natuurlijk ook niet van bovenaf worden opgelegd. Je kunt mensen niet dwingen elkaar te respecteren als je een systeem in stand houdt dat hun verschillen uitvergroot en zelfs doet groeien. Ubuntu kan alleen ontstaan in een samenleving waarin mensen gelijkwaardig zijn en gelijke kansen hebben, of op zijn minst die illusie koesteren. Al het moorden, verkrachten en stelen in dit land is niets anders dan een uiting van de diepst mogelijke wanhoop, van de wetenschap dat er geen enkele manier is economisch een treetje op te klimmen, anders dan met behulp van de illegale ladder. De rationele redenering dat eerlijk het langst duurt, is afgestompt. De werkelijkheid laat geen ruimte voor hoop op een beter leven. Gevoelens van haat en angst overheersen.
En precies daarin ligt het probleem van de Zuid-Afrika. Spinoza beargumenteert dat mensen elkaar tot steun zullen zijn als zij in hun handelen worden gedreven door de rede en het verstand. Zij zullen dan immers altijd tot de rationele conclusie komen dat zij hoe dan ook tot elkaar zijn veroordeeld, en dat zij dus meer te winnen dan te verliezen hebben bij samenwerking. Als mensen echter worden gedreven door hun hartstochten, gevoelens en emoties, zijn zij van nature elkaar vijanden, aldus de filosoof.
Afrikaanse leiders en opiniemakers kunnen in de kranten en op televisie nog zo hard roepen dat zij en hun landen zo onvoorstelbaar ubuntu zijn, het werkt niet als zij zelf het verkeerde voorbeeld geven en zich verrijken ten koste van anderen. Volgens Tutu waren, toen hij zijn boek aan het einde van de vorige eeuw schreef, naast Zuid-Afrika, de landen Kenia, Namibië en Zimbabwe de beste voorbeelden van ubuntu in Afrika. Nog geen tien jaar later zijn de verkiezingen in Kenia ernstig uit de hand gelopen en houdt iedereen zijn hart vast voor Zimbabwe. Het zijn conflicten die vaak worden afgedaan als etnische problemen tussen verschillende stammen, maar in werkelijkheid komen zij allemaal slechts voort uit de corruptie en zelfverrijking van de ene groep ten koste van een andere. In Namibië, waar de verschillen in rijkdom tot de allergrootste ter wereld behoren, en Zuid-Afrika, dat wereldwijd toch vooral bekend staat om zijn criminaliteitscijfers, is het wachten op een vergelijkbare ontsporing. Te meer daar de corruptie in beide landen hand over hand toeneemt, altijd het begin van het einde van de rechtstaat. Langzaam glijden ze weg in het ravijn waar Kenia en Zimbabwe al op de bodem zitten. Iemand moet hier op korte termijn serieus de noodklok luiden.
Omdat rijkdom schaars is, levert het bezit ervan automatisch onenigheid op en het verlies ervan woede of verdriet. Wederom is Spinoza aan het woord. Waar de een het vergaart, verliest de ander het immers doorgaans. Hoe ongelijker de verdeling, hoe sterker dit opgaat. Wie ubuntu wil zijn, en zijn leven op die manier gemakkelijker, prettiger en vreedzamer wil maken, doet er dus goed aan een deel van zijn overdadige rijkdom in te leveren ten gunste van diegenen die niets hebben. Dat is geen Marxistische theorie, maar een logische redenering die niet te ontkennen valt. In je eentje een miljoen winnen in de loterij is niet leuk. Want met wie ga je het geld uitgeven als je het niet met je vrienden deelt?
Deze gedachte wil echter maar niet indalen bij de blanke bovenlaag in dit land. Noch bij de gekleurde nouveau riche trouwens. Beide groepen houden stevig vast aan hun verworven rijkdom, zetten hun geld weg overzee en schermen zich van hun armere medemens af door de ramen van hun grote, blinkende auto’s angstvallig gesloten te houden.
Je kunt het ze ook nauwelijks kwalijk nemen. De meesten zien zichzelf als buitengewoon progressief en hebben oprecht het beste met hun land en medeburgers voor. Maar een leven lang ongelijkheid heeft hun achterliggende wereldbeeld verdraaid. Overal waar ik kom hoor ik rijke, blanke mensen praten over gelijke rechten en gelijke kansen, over de uplifting van zwarten, maar nooit is er iemand die voorstelt zelf wat in te leveren of überhaupt te twijfelen aan het recht op zijn eigen overmatige rijkdom, hoewel die toch vooral is vergaard door de relatief recente uitbuiting en onderbetaling van de zwarte slaven uit de apartheidstijd, die nu in hutjes en golfplaten krotjes in Diepsloot, Zandspruit en Alexandria leven.
De rijken denken aan hun eigen toekomst, aan hun eigen kansen, en dat is hen moeilijk kwalijk te nemen. Zij kunnen niet inzien dat hun angst, hun ongeluk, uitgerekend met die rijkdom samenhangt. Dat is waarschijnlijk slechts weggelegd voor de buitenstaander. Zij zelf zien de meeste kansen in het buitenland, ook al willen ze hun land niet verlaten. Maar daar is het veiliger, daar kunnen hun kinderen op straat spelen en hoeven zij geen drie alarmen in hun villa te installeren. Ze laten zich leiden door hun emoties, door hun jarenlang diep gewortelde angst en dus niet door de rede of door ubuntu. ‘Je kunt veel zeggen van Apartheid,’ zei een gemeenteraadslid van de - nota bene progressieve - Democratic Alliance partij, off-the-record toen ik haar interviewde, maar het was toen in ieder geval wel veilig.’
‘Het is niet verkeerd dat iemand zijn eigen bestwil zoekt. Maar het is ook voor ons eigen bestwil om zuinig te zijn op onze medemensen zonder wie we niet kunnen.’ Het valt niet moeilijk te raden wie deze zin sl lang geleden neerpende. De boeken van Spinoza zouden eens in het Afrikaans vertaald moeten worden.


Merel Meessen, SAPA, Johannesburg Zuid-Afrika
Imke van Hoorn, Mail & Guardian online, Johannesburg Zuid-Afrika
Bram Lammers, The Times, Johannesburg, Zuid-Afrika
Marianne Lamers, Freelance, Johannesburg, Zuid-Afrika
